De belangstelling van de Nederlandse bevolking voor natuur en milieu dateert al van de jaren zeventig. Vooral door het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome kreeg milieubewustzijn een sterke impuls. Hierin werd onder andere de uitputting van de olie- en gasvoorraden voorspeld. De manier waarop we nu met onze energiebehoeften omgaan, evenals het evenwicht tussen het menselijk handelen en het milieu, werd door dit rapport sterk beïnvloed.
Voldoende natuur behouden In een dichtbevolkt land als Nederland is het belangrijk bijzondere natuurgebieden te beschermen. Daarom koopt en beheert de overheid waardevolle natuurgebieden. Bovendien geeft zij financiële bijdragen aan particuliere instanties om dergelijke gebieden aan te kopen en te beheren. Steeds meer individuele boeren en groepen boeren gaan met de overheid overeenkomsten aan. Zij verplichten zich om de natuur op hun eigen land of op het land van een natuurbeschermingsorganisatie te beheren. Met het in 1990 verschenen Natuurbeleidsplan van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, wil de overheid de natuur in Nederland weer de plaats geven die haar toekomt. Van groot belang is daarbij de Ecologische Hoofdstructuur. Dit is een aaneengesloten en samenhangend netwerk van natuurgebieden. Dit natuurnetwerk moet planten en dieren voor de toekomst een basis van bestaan garanderen. Het doel is in 2018 een oppervlakte van 700.000 hectare natuurgebied (NB totale oppervlakte Nederland is 41.528 km2) gerealiseerd te hebben.
Nederland telt op dit moment 19 nationale parken, variërend van de waterrijke Biesbosch tot de zandverstuivingen van de Loonse en Drunense duinen. Een bijzondere plaats onder de nationale parken wordt ingenomen door het waddeneiland Schiermonnikoog. De Hoge Veluwe en de Veluwezoom zijn de oudste nationale parken.
Zorg voor een goed milieu Door de grote bevolkingsdichtheid, de sterke industrialisatie, de vele auto’s en de intensieve bedrijfsvoering in de land- en tuinbouw, heeft Nederland, vergeleken met andere Europese landen, een hoge milieudruk. Een groot deel hiervan wordt gecompenseerd door technische maatregelen die verdergaand zijn dan gemiddeld in de EU. Door het milieubeleid vermindert (wat betreft lucht-, water- of bodemvervuiling) of stabiliseert (wat betreft broeikasgassen en geluidshinder) de druk op het milieu. Steeds vaker is milieuverontreiniging niet enkel een nationaal probleem. Grote Europese rivieren voeren verontreinigde stoffen aan uit andere delen van Europa en ook de luchtverontreiniging stopt niet bij de grenzen. Een deel van de luchtverontreiniging heeft zelfs mondiale gevolgen, zoals de aantasting van de ozonlaag en het broeikaseffect. Europees beleid speelt om die reden een steeds grotere rol bij de aanpak van grootschalige milieuproblemen.
Internationaal milieubeleid Twee gebeurtenissen hebben in de afgelopen 30 jaar impulsen gegeven voor het maatschappelijk milieudebat: de wereldconferentie van de Verenigde Naties in 1972 en het rapport van de World Commission on Environment and Development uit 1987. Deze gebeurtenissen zijn mijlpalen waarvan de effecten ook nu nog voelbaar zijn in de samenleving. Sinds de jaren ’80 horen onderwerpen als rioolwaterzuivering, afvalverwijdering, rookgasreiniging, bodemsanering en bestrijding van geluidhinder tot de beleidsagenda. Aan het eind van de jaren ’80 kwamen daar thema’s als verzuring en verdroging bij en sinds de tweede helft van de jaren ’90 staat de reductie van CO2-emissie in verband met klimaatverandering volop in de belangstelling (zie ook bij hoofdstuk 6 Economie). Recentelijk is ook externe veiligheid (mede naar aanleiding van onder andere de vuurwerkontploffing in Enschede) een steeds belangrijker onderdeel van het milieubeleid geworden.
Alternatieve energiebronnen De prioriteiten zijn de afgelopen dertig jaar voortdurend aangepast aan de omstandigheden. Maar in grote lijnen verschoof de aandacht daarbij van maatregelen achteraf naar preventie en beheer. Het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (2001) borduurt voort op het beleid van een duurzame verbetering van het milieu bij een groeiende economie, waarbij het maatschappelijke veranderingsproces een belangrijk uitgangspunt vormt. Bij zowel consument als producent en overheid dient een omslag plaats te vinden en moet worden gezocht naar duurzame oplossingen. Deze zijn bijvoorbeeld auto’s te laten rijden op elektriciteit in plaats van op benzine, of alternatieve energiebronnen gebruiken, zoals waterstof als brandstof voor auto's. Een grote oliemaatschappij in samenwerking met een autofabrikant, heeft inmiddels de eerste auto ontwikkeld die op waterstof rijdt. In Amsterdam rijden nu de eerste stadsbussen op waterstof. Waterstof wordt gezien als de brandstof van de toekomst. Het is schoon (uit de uitlaat komt alleen wat condens), uiterst efficiënt en in voldoende mate aanwezig.
Marktgerichte instrumenten In het huidige milieubeleid worden verschillende instrumenten gebruikt, zoals regelgeving, vergunningen, convenanten en financiële prikkels. Afhankelijk van het milieuthema, de doelgroep en de situatie kunnen verschillende instrumenten de voorkeur hebben. Veelal is een mix van instrumenten het meest geschikt. Het oplossen van de grote milieuproblemen vereist meer dan een intensivering van de bestaande instrumenten. Meer marktgerichte instrumenten vormen een noodzakelijke aanvulling: heffingen, belastingen en verhandelbaarheid. Het is daarbij van belang dat voor schadelijke milieueffecten, die nu eigenlijk worden afgewenteld op toekomstige generaties en landen in de derde wereld, een bedrag wordt vastgesteld of berekend. Het inzetten van deze nieuwe instrumenten past bij een veranderende rol van de overheid: een overheid die stuurt tot in de kern van de samenleving, maakt plaats voor een overheid die kaders en randvoorwaarden stelt en het probleemoplossend vermogen van de samenleving benut.
Betrokkenheid van de Nederlander De Nederlander voelt zich betrokken bij de milieuproblematiek en staat positief tegenover milieumaatregelen als energiebesparing. De Nederlandse CO2-emissie per hoofd van de bevolking behoort bijvoorbeeld tot de laagste in Europa. Het opvallendste is de milieubewuste houding op het gebied van de afvalscheiding: glas wordt naar de glasbak gebracht, oude kranten gaan naar het oud papier, batterijen en verfresten gaan naar de chemokar en groente-, fruit- en tuinafval wordt apart ingezameld. Ook in de landbouw is Nederland tegenwoordig milieubewuster zoals in het hoofdstuk over landbouw is beschreven.
Ruimelijke ordening Nederland is een land waar veel geregeld is. Het doel voor de komende jaren is het aantal regels te verminderen en de regels te vereenvoudigen. Het ministerie van VROM, dat gaat over wonen, ruimte en milieu, geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid en ontwikkeling van Nederland aan. Het ministerie stimuleert andere overheden en private partijen om bij ruimtelijke projecten in een zo vroeg mogelijk stadium samen te werken. Dit komt neer op gezamenlijk de opties bekijken voor de inrichting van een bepaald gebied en dit op een creatieve en interactieve manier in te vullen. De Wet op de Ruimtelijke Ordening geeft het wettelijke kader aan voor de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De gemeente is hiervoor op lokaal niveau verantwoordelijk. De gemeenteraad stelt daartoe bestemmingsplannen vast, die door de provincies moeten worden goedgekeurd. Hierin wordt aangegeven hoe de grond mag worden gebruikt en wat er in en op de grond mag worden gebouwd. De provincies zijn verantwoordelijk voor het opstellen van zogenaamde streekplannen. Ten slotte worden plannen voor de ruimtelijke ontwikkeling internationaal afgestemd.
Prettig en veilig wonen Meer, betere en betaalbare woningen, met meer keuzevrijheid voor de inwoners van Nederland, gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en een veilige woonomgeving: dat is in een notendop wat de Nederlandse overheid voor ogen heeft als het gaat om het thema wonen.De overheid stimuleert dat meer tempo gemaakt wordt bij het bouwen van meer woningen, want er is een tekort aan woonruimte in Nederland. Ook wordt erop gelet dat de woningen voldoende kwaliteit hebben. Daarbij gaat het niet alleen om de bouwkundige kwaliteit, maar ook om de sociale en ecologische kwaliteit. Duurzaamheid is dan ook een belangrijk aspect van de woonkwaliteit. Het gaat om de mens, zijn woning en zijn woonomgeving. Een wijk is goed als mensen zich er prettig en veilig kunnen voelen, als de infrastructuur in orde is en er voldoende voorzieningen, zoals winkels en sportaccommodaties zijn. Om mensen in Nederland betaalbaar en goed te laten wonen, wordt veel geld geïnvesteerd in financiële ondersteuning van bewoners met lage inkomens en in stedelijke vernieuwing.
Overheid stimuleert woningbouw Eeuwenlang is de bemoeienis van de overheid met de woningbouw in Nederland gering geweest. De woningbouw was vooral een zaak van gemeenten en wooncorporaties. Dat veranderde ingrijpend met de Woningwet van 1901. Hiermee kreeg de overheid veel meer invloed op de volkshuisvesting en de stedenbouw in Nederland. Het gebrek aan voldoende goede woningen duurde tot ver in de jaren ‘80 van de 20e eeuw. Gemiddeld werden in de vier decennia na de Tweede Wereldoorlog zo’n 100.000 woningen per jaar gebouwd. Het overgrote deel daarvan werd gesubsidieerd door de overheid. Dankzij deze subsidies konden de huren laag blijven, terwijl ook de continuïteit in de woningbouw gewaarborgd werd. Aanvankelijk lag het accent op de bouw van veel huizen. In de jaren ‘70 werd dit verlegd naar meer kwaliteit. In die jaren werd ook een nieuw beleidsinstrument geïntroduceerd: de individuele huursubsidie. Dit is een aanvullende steun aan huurders die anders een te groot gedeelte van hun inkomen aan huur zouden moeten betalen.
Particuliere organisaties met publieke taken In 2003 telde Nederland circa 6,7 miljoen woningen. Gemiddeld wonen er 2,4 mensen in een woning. Zo’n 2,3 miljoen huurwoningen (dat is circa 35% van het totaal aantal woningen in Nederland) wordt beheerd door corporaties of woningbouwverenigingen. Corporaties zijn particuliere organisaties met publieke taken. Internationaal gezien zijn ze een bijzonderheid. Decennialang hebben de overheid en de corporaties een nauwe financiële band gekend, maar sinds 1993 is die veel losser geworden.
Hoe wonen Nederlanders? De kenmerkendste Nederlandse bouwvorm is het zogenaamde ‘rijtjeshuis’, een ééngezinswoning van twee of drie verdiepingen met voor- en achtertuin, die een woonblok vormt met drie of meer vergelijkbare woningen. Daarnaast zijn in de steden veel appartementencomplexen en flatgebouwen neergezet om het toenemend aantal inwoners op een beperkte ruimte te kunnen huisvesten.
Veel Nederlanders wonen in een stedelijke omgeving. Omdat de ruimte daar beperkt is, ontstaat druk op de landelijke gebieden. Mensen willen op plekken wonen waar groen en water in de buurt is. Behalve de woonwensen van de Nederlanders zullen de veranderingen in de landbouw, de ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur (een aaneengesloten natuurgebied) en de waterhuishouding een grote impact hebben op de inrichting van de landelijke gebieden.
Het Groene Hart De overheid wil de balans bewaken tussen stedelijke en landelijke gebieden. Dat is goed duidelijk te maken aan de hand van het voorbeeld van de Randstad. De Randstad is een conglomeraat van steden in het westen en midden van Nederland met uiteenlopende belangen. Het zogeheten Groene Hart ligt in het midden hiervan. Het Groene Hart mag in principe niet aangetast worden, maar in de praktijk gebeurt het wel. Door de Randstad te zien als een deltametropool is een andere kijk op de ruimtelijke problematiek mogelijk. Het hele westen van Nederland, inclusief het Nationale Landschap 'Het Groene Hart' wordt als één geheel beschouwd. Ofwel: als een waterrijke, groene delta waarin stedelijke bebouwing, water en groen in samenhang met elkaar ontwikkeld moeten worden. Dit betekent ook hier dat er tussen veel partijen overeenstemming bereikt moet worden.