Spring naar de inhoud
www.EU2004.nl
EnglishFran?ais
De officiële website van het Nederlandse EU-voorzitterschap
HomeSitemapE-mail service
Zoeken
pijl
Uitgebreid zoeken
NieuwsKalenderPersinformatieEUVoorzitterschapBeleidsterreinen
Navigatie
stippellijn
Nederland
pijl naar rechtsLand en Volk
pijl naar rechtsStaatsinrichting
pijl naar rechtsInternationale Betrekkingen
pijl naar rechtsEconomie
pijl naar rechtsLandbouw
pijl naar rechtsSociaal Beleid
pijl naar rechtsGezondheidszorg
Onderwijs en Onderzoek
pijl naar rechtsMobiliteit en Waterbeheer
pijl naar rechtsNatuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening
pijl naar rechtsKunst en Cultuur
pijl naar rechtsSport
pijl naar rechtsWist u dat...?
NederlandPrint
Onderwijs en Onderzoek

Van bijzonder tot openbaar
Sinds de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 heeft de overheid de taak voor voldoende en goed onderwijs te zorgen. Dat wil niet zeggen dat er in het Nederlandse onderwijs sprake is van een staatsmonopolie en/of staatspedagogie. In de Grondwet van 1848 is de zogenaamde vrijheid van onderwijs vastgelegd, wat inhoudt dat groepen mensen op basis van eigen godsdienstige, levensbeschouwelijke of pedagogisch-didactische grondslag een school mogen stichten.

Vrijheid van onderwijs
De overheid houdt uiteraard toezicht op het gehele onderwijs. Nederland kent een leerplicht die geldt voor kinderen van 5 tot en met 18 jaar. Voor de laatste twee jaar geldt een partiële leerplicht. Ook zijn de vakken waarin onderwezen wordt per onderwijsrichting vastgelegd, evenals de daarbij behorende doelstellingen. Hierdoor garandeert de overheid het niveau van elk diploma dat binnen het Koninkrijk is behaald.

De scholen die gesticht zijn door de overheid (veelal gemeenten), worden openbare scholen genoemd. Alle andere scholen, gesticht door particulieren, heten bijzondere scholen. Ondanks het feit dat ruim driekwart van het aantal scholen in Nederland door particulieren bestuurd wordt, krijgen alle scholen die aan de voorwaarden voldoen van de overheid de financiële middelen. Ook alle leraren ontvangen van de overheid hun salaris. Nederland gaf in 2001 5,3% van haar Bruto Binnenlands Product aan onderwijs uit. Ouders hoeven voor hun kinderen tot 16 jaar niets te betalen. Wel betalen ouders voor leerboeken en andere leermiddelen van hun kinderen in het voortgezet onderwijs. Los van deze bijdrage ontvangen alle ouders een zogenaamde kinderbijslag.

Basisbeurs
Leerlingen die 18 jaar of ouder zijn, betalen voor hun studie. Het studie- of collegegeld is voor de meeste studies gelijk. Elke student die ouder is dan 18 jaar ontvangt van de overheid een basisbeurs, die uitgebreid kan worden met een lening en/of aanvullende beurs, afhankelijk van het vermogen en inkomen van de student of diens ouders. Hierbij spelen ook de studieprestaties van de betrokken student een rol. Studenten van 18 jaar en ouder kunnen een kaart aanvragen die hun voordelen biedt in het openbaar vervoer.

Van de leeftijdsgroep 18-27 jaar volgt 19,2% voltijd hoger onderwijs en 0,8% deeltijd hoger onderwijs. Het merendeel van de Nederlandse scholen, hogescholen en universiteiten kent geen huisvestingsvoorzieningen (campus e.d.) voor de leerlingen/studenten en geen kledingvoorschriften.

Basisonderwijs
Het basisonderwijs in Nederland is bestemd voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar. Dit onderwijs, dat is opgebouwd uit acht jaarklassen, is gericht op de emotionele, verstandelijke en creatieve ontwikkeling van het kind en het verwerven van voldoende sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Elke basisschool stelt zelf een schoolwerkplan op, op basis van door de overheid vastgestelde voorwaarden.

Voor kinderen met een geestelijke, lichamelijke of sociale handicap zijn er speciale scholen die, naast het aanbieden van regulier onderwijs, extra zorg besteden aan het kind.

Voortgezet onderwijs
Het voortgezet onderwijs, dat toegankelijk is voor kinderen vanaf 12 jaar, kent diverse onderwijstypen:

- voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO), 
- hoger algemeen voortgezet onderwijs (HAVO),
- voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO).

Veel van bovengenoemde onderwijstypen bestaan naast elkaar op één school, de zogenaamde scholengemeenschap. Het VMBO heeft een maximale cursusduur van vier jaar en geeft toegang tot het beroepsonderwijs. Het HAVO heeft een cursusduur van vijf jaar en verleent de leerling toegang tot het hoger beroepsonderwijs. Het VWO, dat een zesjarige cursusduur heeft, geeft de leerling toegang tot de universiteit. Leerlingen die een school voor VMBO, HAVO en/of VWO bezoeken, volgen de eerste twee à drie jaar de zogenaamde basisvorming, die bestaat uit 15 verplichte vakken. Van alle 17-jarigen leerlingen heeft 95,7% voltijds voortgezet onderwijs gevolgd.

Beroepsonderwijs
Met de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) in 1996 zijn het leerlingwezen en de scholen voor beroepsonderwijs samengevoegd in één onderwijsinstelling: het regionaal opleidingencentrum. Alle beroepsopleidingen combineren leren op school met leren in de praktijk. Er zijn twee varianten: de beroepsopleiding met een praktijkdeel van minimaal 20% en maximaal 60% en de beroepsbegeleiding met een praktijkdeel van minimaal 60%. De opleidingen worden aangeboden op vier niveaus. De regionale opleidingencentra verzorgen ook volwasseneneducatie.


Hoger onderwijs
Het hoger onderwijs omvat het hoger beroepsonderwijs (HBO) en het wetenschappelijk onderwijs (WO), dat wordt aangeboden door hogescholen en universiteiten. In september 2002 is een bachelor-masterstructuur ingevoerd. Bacheloropleidingen hebben een cursusduur van drie jaar in het WO en vier jaar in het HBO. Na het afsluiten van de bachelorfase in het WO kan de student zich verder specialiseren in de masterfase. Masteropleidingen hebben, afhankelijk van de richting, een cursusduur van één tot twee jaar. De masteropleiding geneeskunde duurt drie jaar.

Van de leeftijdsgroep 18 tot 27 jaar volgt 19,2% voltijd hoger onderwijs en 0,8% deeltijd hoger onderwijs. Na het afsluiten van de vierjarige eerste fase in het wetenschappelijk onderwijs, kan de student zich verder specialiseren of onderzoek verrichten. Nederland heeft negen algemene universiteiten, drie technische en één agrarische, die beschikken over gespecialiseerde researchinstituten.

Traditionele titels
Afgestudeerden kunnen kiezen tussen de bachelor- of mastergraad en de traditionele titels. Traditioneel mogen afgestudeerden van HBO-instellingen de titel ingenieur (ing) of baccalaureus (B) voeren. De afgestudeerden van een universiteit mogen de titel ingenieur (ir), doctorandus (drs) of meester in de rechten (mr) voeren. In plaats van deze titels mag men ook de Master-titel (M) voeren. Wie gepromoveerd is mag de titel doctor (dr) voeren. Deze titels zijn wettelijk bepaald en beschermd.

Volwassenenonderwijs
Nagenoeg alle hiervoor beschreven onderwijstypen worden ook aangeboden in het volwassenenonderwijs. In dag- of avondopleidingen wordt volwassenen de mogelijkheid geboden (deel)opleidingen te volgen. Een bijzondere plaats neemt daarbij de zogenaamde Open Universiteit in met een divers aanbod van universitaire opleidingen.

Internationaal onderwijs
Voor kinderen die - vanwege de internationale loopbaan en woon- en verblijfplaats van hun ouders - een gedeelte van hun basisonderwijs en/of voortgezet onderwijs in het buitenland hebben genoten of nog gaan volgen, zijn er scholen waar de gehele cursus in de Engelse, Franse of Duitse taal wordt gegeven, leidend tot het internationale baccalaureaat. Verder kent Nederland een tiental instellingen voor hoger onderwijs waar buitenlandse afgestudeerden een vaak specialistische opleiding in het Engels en incidenteel in het Frans of Spaans kunnen volgen.

Onderzoek 
Het onderzoeks- en wetenschapsbeleid in Nederland heeft tot doel het instandhouden van een effectief en hoogwaardig wetenschappelijk milieu. Bovenop de reguliere investeringen in de kennisinfrastructuur, heeft de regering tot 2002 meer dan 200 miljoen euro uitgetrokken voor 12 kansrijke onderzoeksprojecten, waarin private en publieke partijen samenwerken. Alhoewel de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het wetenschapsbeleid coördineert en in hoofdlijnen bepaalt, is elke minister verantwoordelijk voor het onderzoek en de wetenschapsbeoefening binnen de verschillende beleidsterreinen. Naast rechtstreekse (deel)financiering door de overheid, kunnen de onderzoeksinstellingen (veelal behorend tot de universiteiten) putten uit fondsen die worden beheerd door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) of gebruik maken van fondsen die het bedrijfsleven aanbiedt op basis van contractonderwijs en/of contractonderzoek.
 

Top
Over eu2004.nlPrivacy
Uitgelicht
stippellijn
pijlAccenten voorzitterschap
pijlFoto's voorzitterschap
pijlUitbreiding EU
pijl'Europe. A beautiful idea?'
pijlEuropese Raad
pijlEen korte terugblik, juli - december 2004
Links
www.eu2005.lu
europaportaal
bestbelangrijk