Over de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen De Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB) bestaat uit de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten en een vertegenwoordiger uit de Europese Commissie. De Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB is eveneens aanwezig bij de Raad. De voorzitter van de RAZEB is de minister van Buitenlandse Zaken van het land dat op dat moment voorzitter is van de EU. Voor Nederland is dit minister Bernard Bot. De RAZEB vergadert één keer per maand.
Algemene Zaken De Raad houdt zich bezig met institutionele vraagstukken zoals de uitbreiding van de Unie, maar heeft ook een coördinerende rol met betrekking tot de andere Raden. In deze hoedanigheid bereidt het ook de Europese Raad voor. Algemene Zaken houdt zich verder bezig met zogenaamde 'horizontale kwesties', omdat zij raakvlakken heeft met alle onderwerpen van de Unie.
Externe Betrekkingen Daarnaast is de RAZEB verantwoordelijk voor de Externe Relaties van de EU. Het gaat hier om het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), buitenlandse handelsrelaties en ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp. De Raad is verder belast met het coördineren van de lidstaten op deze terreinen.
Taken van de voorzitter van de Raad De voorzitter van de RAZEB vertegenwoordigt de EU en coördineert het buitenlands beleid van de Unie. Hij werkt nauw samen met de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB en de Eurocommissaris voor buitenlandse betrekkingen om te zorgen voor continuïteit en samenhang in het buitenlands beleid van de EU.
Het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid Vanaf de jaren zeventig bestaat er een intergouvernementele samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap. Als het gaat om internationale politiek probeert men alle lidstaten zoveel mogelijk op één lijn te krijgen. In 1986 werd met de Europese Akte aan deze intergouvernementele samenwerking een formeel karakter gegeven zonder dat aan de aard of het functioneren ervan iets werd veranderd. Een belangrijke verandering vond plaats met het Verdrag van Maastricht (1993) waarin de lidstaten een gemeenschappelijk buitenlands beleid als doelstelling in het verdrag opnamen. Sinds de inwerkingtreding van dit verdrag in 1993 kan de EU als eenheid haar standpunten laten horen over allerlei internationale aangelegenheden.
Verdeling van bevoegdheden Het GBVB valt onder de Tweede pijler van de EU. Dit bekent dat de meeste besluiten worden genomen met unanimiteit. De Commissie is volledig betrokken bij het GBVB, maar ze heeft geen exclusief Initiatiefrecht. De initiatieven komen voornamelijk van de voorzitter van de Raad, de lidstaten of de hoge vertegenwoordiger. Het Europees Parlement wordt door de voorzitter van de Raad geraadpleegd over belangrijke keuzes in het GBVB en wordt over de ontwikkeling daarvan geïnformeerd.
Doelstelling van het GBVB In het Verdrag van de Europese Unie en zijn de uitgangspunten en doelstellingen van het GBVB beschreven. De Unie bepaalt en voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en heeft de volgende doelstellingen: - bescherming van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie, conform de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties; - versterking van de veiligheid van de Unie in alle opzichten; - handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsook de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van die betreffende de buitengrenzen; - bevordering van de internationale samenwerking; - ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.
Beleidsinstrumenten van het GBVB De drie belangrijkste beleidsinstrumenten van het GBVB zijn: - Gemeenschappelijke strategieën. De Europese Raad beslist, op aanbeveling van de Raad, over de gemeenschappelijke strategieën op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen hebben. - Gemeenschappelijke optredens. De Raad stelt gemeenschappelijke optredens vast wanneer in specifieke situaties een operationeel optreden van de lidstaten van de Europese Unie nodig is. - Gemeenschappelijke standpunten. De Raad kan gemeenschappelijke standpunten vaststellen. Hierin wordt de aanpak bepaald van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard van een derde land. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationale beleid met het gemeenschappelijk standpunt overeenstemt. Daarnaast kan de Raad vie EU-verklaringen en Raadsconclusies de positie van de EU ten aanzien van belangrijke internationale vraagstukken duidelijk maken.
Hoge vertegenwoordiger voor het GBVB Bij het Verdrag van Amsterdam is de functie van hoge vertegenwoordiger voor het GBVB vastgesteld. Dit verdrag bepaalt dat de hoge vertegenwoordiger ook de secretaris-generaal van de Raad is. Momenteel is dit Javier Solana. De hoge vertegenwoordiger assisteert de Raad door bij te dragen aan de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen.
Het Europees veiligheids- en defensiebeleid Het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) is onderdeel van het GBVB. Het EVDB is vooral gericht op vredeshandhaving en crisismanagement.
De Europese Raad van Keulen van juni 1999 heeft bij de versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid een centrale plaats toebedeeld aan de crisisbeheersingstaken, ook wel de Petersbergtaken genoemd. De Unie heeft daarnaast besloten de civiele aspecten van crisisbeheersing uit te bouwen en daarbij richt zij zich op de vier prioriteiten die de Europese Raad van Feira in juni 2000 heeft bepaald: politie, versterking van de rechtsstaat, versterking van het civiel bestuur en civiele bescherming.
De Europese Raad van Nice (2000) heeft de oprichting van de volgende, nieuwe permanente politieke en militaire organen goedgekeurd: - het Politiek en Veiligheidscomité (dat ook toeziet op de uitvoering van het GBVB); - het Militair Comité van de Europese Unie; - de Militaire Staf van de Europese Unie.
Ontwikkelingssamenwerking De EU (de Commissie en de lidstaten) besteedt per jaar €30 miljard aan ontwikkelingssamenwerking en levert hiermee meer dan de helft van de wereldwijde ontwikkelingshulp. De Europese Commissie draagt ruim €7 miljard op jaarbasis bij en is daarmee wereldwijd de grootste donor. Met €2,43 miljard per jaar maakt het Europees Ontwikkelingsfonds een belangrijk deel uit van de totale hulp die de Unie verstrekt.
De Europese ontwikkelingssamenwerking is zo oud als de Europese Gemeenschap; reeds in het Verdrag van Rome werden bepalingen opgenomen voor de steun aan de toenmalige koloniën. Dit werd geconcretiseerd in de vorm van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), een Intergouvernementeel fonds voor de ACS-landen, waarover iedere vijf jaar opnieuw wordt onderhandeld. Parallel hieraan voert de EU een extern beleid dat hulpcomponenten bevat en dat gefinancierd wordt vanuit de reguliere begroting.
De uitgangspunten van het huidige ontwikkelingsbeleid van de EU liggen vast in het Verdrag van Maastricht. Artikel 177 bevat de algemene beleidsdoelstellingen en stelt dat het beleid van de gemeenschap een aanvulling is op het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten. Artikel 178 bepaalt dat bij beleid op andere terreinen (landbouw, visserij, handel) rekening gehouden dient te worden met ontwikkelingsdoelstellingen en artikel 180 bevat bepalingen over coördinatie tussen de Gemeenschap en de lidstaten.
De centrale doelstelling van het Europese OS-beleid, duurzame armoedevermindering, werd bevestigd in een Algemene Beleidsverklaring van de OS-Raad van november 2000. Hierin werden tevens zes prioriteitsgebieden aangegeven: - handel en ontwikkeling; - regionale integratie; - macro-economisch beleid; - vervoer; - voedselveiligheid en duurzame plattelandsontwikkeling; - opbouw van institutionele capaciteit. Daarnaast zijn voor het Europese ontwikkelingsbeleid internationale afspraken richtinggevend, zoals de Millennium Development Goals en de afspraken die zijn gemaakt tijdens de conferentie over Financing for Development te Monterrey en de World Summit on Sustainable Development te Johannesburg.
Klik voor de hoofddoelen (pdf) van de Europese ontwikkelingssamenwerking onder het Nederlands voorzitterschap. Klik voor meer informatie over twee prioriteitsthema's (pdf): HIV/aidsbestrijding en bevordering van de reproductieve rechten en rechten op het gebied van seksuele gezondheid.
Buitenlandse Handelsrelaties Met 20 procent van de totale in- en uitvoer in de wereld bekleedt de EU op het gebied van de handel de eerste plaats. De Unie wil niet alleen de grootste in- en uitvoerder zijn, maar wil ook een belangrijke rol spelen bij het liberaliseren van de wereldhandel.
Voor wat betreft handel en handelsaangelegenheden is de Europese Gemeenschap vrijwel exclusief bevoegd. Dit betekent dat de Gemeenschap, in plaats van de individuele lidstaten, bevoegd is te onderhandelen over de handelspolitiek, inclusief handelsovereenkomsten met Derde landen. Er zijn echter nog steeds uitzonderingen, voor handelskkoorden die (mede) betrekking hebben op onderwijsdiensten, culturele en audiovisuele diensten, sociale en volksgezondheidsdiensten zijn de lidstaten en de Gemeenschap gezamenlijk bevoegd.
Binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) speelt de EU als handelspartner een centrale rol. Alle lidstaten van de EU en de EG zelf zijn lid van de WTO. In het kader van de WTO vindt momenteel de “Doha Development Round” plaats. Doel van de Doha-ronde is verdere liberalisering van het internationale verkeer van industriegoederen, diensten en landbouwproducten, die de wereldeconomie een broodnodige impuls kan geven. Ook voor de EU heeft verdergaande multilaterale handelsliberalisering reële economische voordelen. Daarnaast wordt gestreefd naar versterking van het multilaterale handelssysteem en verdere integratie van ontwikkelingslanden daarin, in het bijzonder de minst ontwikkelde landen.