Spring naar de inhoud
www.EU2004.nl
EnglishFran?ais
De officiële website van het Nederlandse EU-voorzitterschap
HomeSitemapE-mail service
Zoeken
pijl
Uitgebreid zoeken
NieuwsKalenderPersinformatieEUVoorzitterschapBeleidsterreinen
Navigatie
stippellijn
Nederland
pijl naar rechtsLand en Volk
Staatsinrichting
pijl naar rechtsInternationale Betrekkingen
pijl naar rechtsEconomie
pijl naar rechtsLandbouw
pijl naar rechtsSociaal Beleid
pijl naar rechtsGezondheidszorg
pijl naar rechtsOnderwijs en Onderzoek
pijl naar rechtsMobiliteit en Waterbeheer
pijl naar rechtsNatuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening
pijl naar rechtsKunst en Cultuur
pijl naar rechtsSport
pijl naar rechtsWist u dat...?
NederlandPrint
Staatsinrichting

 

Constitutionele monarchie met een parlementair stelsel
De Koningin is staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden en voert de regering over elk van de landen die daar deel van uitmaken. Deze landen, de Nederlandse Antillen (Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten) en Aruba hebben beide een Gouverneur die de Koningin vertegenwoordigt. De Nederlandse ministerraad fungeert, aangevuld met gevolmachtigde ministers van de Caraïbische landen, als ministerraad voor het Koninkrijk. Wetgeving wordt tot stand gebracht door de Koninkrijksregering in samenwerking met de Staten-Generaal.

De bestuurlijke verhouding tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba wordt bepaald door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dit Statuut stamt uit 1954 en is de hoogste staatsregeling, ook hoger dan de Nederlandse Grondwet. Het bepaalt dat Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba gelijkwaardige partners binnen het Koninkrijksverband zijn.

Grondwet
De Grondwet is het fundament van de Nederlandse rechtsorde. Hierin staat een aantal leidende principes over:
-de monarchie
-de representatieve democratie
-de rechtsstaat (waaronder de grondrechten) en
-de gedecentraliseerde eenheidsstaat

De monarchie als regeringsvorm
De regering wordt gevormd door de Koningin en de ministers. Sinds de ingrijpende herziening van de Grondwet van 1848 is Nederland een zogenaamde ‘constitutionele monarchie met een parlementair stelsel’. Constitutionele monarchie betekent dat de Grondwet de macht van de erfelijke vorst bepaalt. De Grondwet regelt ook de verdeling van de regeringsbevoegdheid tussen de Koningin en andere overheidsinstanties. Het zijn de ministers die aan de volksvertegenwoordiging verantwoording verschuldigd zijn voor de handelingen van de regering. De Koningin draagt geen politieke verantwoordelijkheid en kan daarom niet door het parlement ter verantwoording worden geroepen.

Tot de vele taken van de Koningin behoort het uitspreken van de jaarlijkse Troonrede op Prinsjesdag aan het begin van het parlementaire jaar (derde dinsdag van september). De Troonrede zet de plannen van de regering voor het komende jaar uiteen.

De Koningin speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van kabinetten. Na de verkiezingen raadpleegt zij de fractieleiders, de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van het parlement en de Vice-voorzitter van de Raad van State. Op hun advies kan de Koningin een informateur benoemen die - als dat nodig is - onderzoekt welke partijen tot samenwerking bereid zijn. De partijen die met elkaar een regeringscoalitie willen sluiten, beschrijven in een regeerakkoord de plannen voor de komende regeringsperiode van vier jaar. Vervolgens benoemt de Koningin een formateur, die opdracht krijgt een kabinet samen te stellen. De nieuwe ministers worden bij Koninklijk Besluit benoemd en beëdigd door de Koningin. Naast deze formele taken overlegt het staatshoofd geregeld met de minister-president, andere bewindslieden en vooraanstaande personen uit het economische en culturele leven.

Ministerraad
Alle ministers tezamen vormen de ministerraad met als voorzitter de minister-president. Tot de taken van de ministers behoren de voorbereiding van wetgeving, de uitvoering van wetten, het toezicht houden op provincies en gemeenten en het onderhouden van de buitenlandse betrekkingen. Er zijn in totaal 16 ministers die verantwoordelijk zijn voor de onderwerpen die nagenoeg allemaal in dit boek aan de orde komen. Naast ministers kent Nederland ook staats-secretarissen. Deze nemen een deel van de taak van de minister voor hun rekening. Ministers en staats-secretarissen vormen samen het kabinet.

Raad van State
De Raad van State is het oudste staatsorgaan van Nederland dat in 1531 door Karel V werd ingesteld. Het is het hoogste adviescollege van de regering. De Raad moet door de regering worden gehoord bij elk voorstel van wet of Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en elk ontwerp tot goedkeuring van een verdrag door het parlement. De regering is niet gebonden aan het advies van de Raad van State. De Koningin is voorzitter van de Raad, die verder bestaat uit een vice-president en maximaal 28 leden, de staatsraden. Daarnaast kunnen maximaal vijftig staatsraden ‘in buitengewone dienst’ worden benoemd. De gewone staatsraden, die zich verdienstelijk hebben gemaakt in de maatschappij, worden voor het leven benoemd door de Koningin, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met instemming van de minister van Justitie. Bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd wordt hun ontslag verleend.

De vice-president heeft de dagelijkse leiding. De kroonprins/kroonprinses heeft vanaf zijn/haar achttiende jaar zitting in de Raad. Wanneer bij overlijden van de Koningin geen troonopvolger of regent aanwezig is, oefent de Raad van State het koninklijke gezag uit. De Raad fungeert daarnaast als hoogste rechtsprekende instantie in het bestuursrecht.

De Algemene Rekenkamer
Het financiële beheer van de overheid wordt gecontroleerd door de Algemene Rekenkamer. De Rekenkamer is belast met het achteraf controleren van ontvangsten en uitgaven van de regering, ministeries, semi-staatsbedrijven en rechtspersonen, waarbij het Rijk financieel betrokken is. De criteria hierbij zijn de rechtmatigheid en doelmatigheid van het gevoerde financiële beleid. De Algemene Rekenkamer bestaat uit drie leden, van wie de regering er één tot president benoemt. Zij worden voor het leven benoemd. Het jaarverslag van de Rekenkamer wordt aangeboden aan de regering en het parlement en vervolgens gepubliceerd.

Nationale ombudsman
Sinds 1982 kent Nederland de nationale ombudsman. Iedere inwoner van Nederland kan zich rechtstreeks tot de ombudsman wenden met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de handelingen van een bepaalde overheidsinstantie. Ook kan de ombudsman uit zichzelf tot onderzoek overgaan. Voordat een definitief verslag van het onderzoek wordt uitgebracht, krijgen eerst de betrokken partijen het te zien. Deze kunnen daar vervolgens op reageren. Daarna maakt de ombudsman zijn definitieve verslag openbaar, met daarin zijn oordeel over het overheidshandelen. Hij kan hieraan een aanbeveling verbinden. De ombudsman (of -vrouw) wordt voor een periode van zes jaar benoemd door de Tweede Kamer. Hij of zij opereert geheel onafhankelijk en rapporteert aan de Kamer.

Het Parlement
Iedere Nederlandse staatsburger van 18 jaar en ouder heeft stemrecht en mag zijn of haar stem uitbrengen tijdens de verkiezingen van de Tweede Kamer. Alle burgers hebben ook het recht zich verkiesbaar te stellen voor het parlement. Het parlement, de 'Staten-Generaal', bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer telt 75 leden, die indirect gekozen worden door de leden van de Provinciale Staten. De Tweede Kamer heeft 150 leden. Alle wetgeving in Nederland wordt (mede) bepaald door de volksvertegenwoordiging. Het parlement vormt samen met de regering de wetgevende macht. Er kan alleen maar beraadslaagd en besloten worden, indien meer dan de helft van het aantal leden bij de vergadering aanwezig is. De meeste besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. De uitvoerende macht in Nederland berust bij de regering, maar zij is hierover verantwoording verschuldigd aan het parlement. Om te kunnen regeren, moeten de ministers het vertrouwen van het parlement hebben. Ministers genieten dit vertrouwen, totdat het parlement een motie van wantrouwen aanneemt. De regering kan van haar kant, in geval van een conflict, de volksvertegen-woordiging ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.

Controle door het parlement
De Eerste en Tweede Kamer hebben vier middelen om de uitvoerende macht te controleren.
Het begrotingsrecht: Dit is het recht om de door de regering ingediende begroting van alle inkomsten en uitgaven van het Rijk vast te stellen.
Het recht op interpellatie: Ieder kamerlid kan over een onderwerp een discussie aanvragen met een minister. Zo’n verzoek wordt hoogst zelden geweigerd.
Het recht ministers en staatssecretarissen vragen te stellen: Dit gebeurt doorgaans schriftelijk. Naast de schriftelijke vragen bestaat er een mondelinge variant in de vorm van het zogenoemde 'vragenuurtje' in de Tweede Kamer. Alle vragen moeten beantwoord worden. Een minister kan slechts weigeren de gevraagde inlichtingen te geven als het staatsbelang in het spel is.

Het recht van onderzoek (enquête): Het parlement kan onafhankelijk van de regering een onderzoek naar een bepaalde zaak instellen en een parlementaire enquêteCommissie met dit onderzoek belasten. Deze commissie kan personen voor verhoor oproepen, die verplicht zijn te verschijnen en hun verklaringen onder ede moeten afleggen.
Ook kunnen de Kamers moties aannemen waarin zij hun wensen vastleggen, zonder dat daar rechtstreeks om gevraagd is. Een motie moet door ten minste vijf kamerleden worden gesteund voor ze in stemming kan worden gebracht. De ministers zijn niet verplicht om een aangenomen motie uit te voeren. Een motie van wantrouwen dwingt het kabinet echter wel tot aftreden.

Naast deze middelen kan de Tweede Kamer nog gebruik maken van twee aanvullende rechten: het recht van Amendement en het recht van initiatief. In het eerste geval kan de Kamer wijzigingen in wetsvoorstellen aanbrengen. In het tweede geval kan een kamerlid of een groep kamerleden een wetsvoorstel indienen.
De leden van de Staten-Generaal zijn parlementair onschendbaar, dat wil zeggen dat zij niet kunnen worden vervolgd voor uitspraken die zij in de Kamer of in een commissievergadering hebben gedaan of schriftelijk aan de Kamer hebben overgelegd.

Politieke partijen
Nederland kent een groot aantal politieke partijen mede als gevolg van de lage kiesdrempel in het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De politieke partijen moeten zelf zorgdragen voor hun financiering. Inkomsten verkrijgen zij met name uit de contributie die door hun leden wordt betaald. Soms ontvangen partijen giften vanuit het bedrijfsleven. Deze giften moeten openbaar worden gemaakt.

Drie bestuurslagen
Het bestuur in Nederland is ingedeeld in drie bestuurslagen: Rijk, provincies en gemeenten. Het Rijk behartigt de zaken van nationaal belang. Provincies en gemeenten zijn decentrale overheden. Daarnaast zijn er de waterschappen die een functionele taak hebben.
Provincies of gemeenten kunnen autonoom verordeningen vaststellen zolang deze verordeningen niet in strijd zijn met bestaande wetgeving van de centrale overheid. Provincies en gemeenten zijn verplicht mee te werken aan het uitvoeren van maatregelen van de rijksoverheid. Bij de gemeenten komen daar ook de maatregelen bij die door de provincie waarin zij liggen, zijn uitgevaardigd.

Provincies
Nederland bestaat uit twaalf provincies. De provincies hebben taken op het gebied van milieubeheer, ruimtelijke ordening, energievoorziening, maatschappelijk werk, sport en cultuur. Het algemene bestuur in iedere provincie wordt gevormd door de provinciale staten, het college van gedeputeerde staten en de commissaris van de Koningin. De leden van de provinciale staten worden rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigde Nederlanders uit die provincie. De benoeming is voor vier jaar. De provinciale staten benoemen uit hun leden voor een periode van vier jaar het dagelijks bestuur van de provincie, gedeputeerde staten genaamd. De commissaris van de Koningin wordt door de regering voor een periode van zes jaar benoemd. Hij of zij is zowel voorzitter van de gedeputeerde staten als van de provinciale staten.

Gemeenten
Nederland telt 483 gemeenten. De gemeente zorgt voor voorzieningen op het gebied van water en verkeer, huisvesting, het openbare onderwijs, de gemeentelijke welzijns- en gezondheidszorg, cultuur, sport en recreatie. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De gemeentebesturen staan onder toezicht van het provinciale bestuur en de regering. In praktijk wordt dit toezicht zeer terughoudend uitgeoefend. De gemeenteraad wijst enkele leden aan als wethouders. De burgemeester wordt door de regering benoemd voor een periode van zes jaar.

De burgemeester is voorzitter van zowel het college van burgemeester en wethouders als van de gemeenteraad. Het college voert de besluiten uit die door de regering en het provinciale bestuur voor de gemeente zijn genomen. De gemeenteraad wordt rechtstreeks voor vier jaar gekozen door de stemgerechtigde inwoners van de gemeente. Ook vreemdelingen die vijf jaar of langer legaal in Nederland verblijven, kunnen aan deze verkiezingen deelnemen.

Waterschappen
Het waterschap is één van de oudste vormen van democratisch bestuur in Nederland. Waterhuishouding is belangrijk in een land dat voor ongeveer een kwart onder de zeespiegel ligt. Net als Rijk, provincies en gemeenten zijn waterschappen publiekrechtelijke lichamen. De waterschappen zijn belast met de verdediging van het land tegen het water. Hun belangrijkste taken zijn het aanleggen en onderhouden van dammen, dijken en sluizen, regeling van de waterstand en van de af- en aanvoer van water, alsmede de zorg voor de waterkwaliteit. Het algemeen bestuur wordt gekozen door huis- en grondeigenaren binnen het gebied van het waterschap. De regering benoemt de voorzitter (dijkgraaf) van het dagelijks bestuur.

Rechtsstaat
Het Nederlandse recht kent basiselementen die de overheid verhinderen om willekeurig te handelen. Elk overheidsoptreden in Nederland moet berusten op wettelijke regels. Een ander basiselement van de rechtsstaat zijn de grondrechten. Artikel 1 luidt: "Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan." Het hele eerste hoofdstuk van de Grondwet is gewijd aan grondrechten. Deze grondrechten verklaren bepaalde privé-sferen vrij van overheidsbemoeienis, de sociale grondrechten scheppen juist overheidsverplichtingen. Ten slotte wordt de rechtsstaat getypeerd door het principe van de scheiding van machten. In Nederland werd dit beginsel bij de grondwetswijziging van 1848 ingevoerd. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is hiervan een belangrijk onderdeel.

Rechtspraak
De rechtspraak in civiele zaken en strafzaken berust bij 3 gerechtelijke instanties, te weten 19 rechtbanken, 5 gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden. Nederlands recht wordt gesproken in drie stappen. Een zaak wordt eerst door een rechtbank behandeld. Daarna kunnen beide partijen in principe in hoger beroep gaan bij een gerechtshof. Ten slotte kan men met een zaak in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Alle rechtscolleges bestaan uit rechters die omwille van hun onafhankelijkheid voor het leven zijn benoemd. Bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd wordt hen ontslag verleend.

Op de internetsite van het ministerie van Buitenlandse Zaken bevat de factsheet 'de Nederlandse staatsinrichting' meer informatie: www.minbuza.nl/staatsinrichting.

Top
Over eu2004.nlPrivacy
Uitgelicht
stippellijn
pijlAccenten voorzitterschap
pijlFoto's voorzitterschap
pijlUitbreiding EU
pijl'Europe. A beautiful idea?'
pijlEuropese Raad
pijlEen korte terugblik, juli - december 2004
Links
www.eu2005.lu
europaportaal
bestbelangrijk