Nederland is een van de drie grootste exporteurs van agrarische producten in de wereld. De voornaamste activiteiten zijn de melkveehouderij en de tuinbouw. Ongeveer 3% van de Nederlandse werknemers is actief in de landbouw, die zo’n 2,2% van het Bruto Binnenlands Product dekt. De productiviteit van de Nederlandse landbouw is de laatste decennia enorm toegenomen. Goed landbouwkundig onderwijs, hoogstaand onderzoek en op de praktijk gerichte voorlichting hebben veel bijgedragen aan deze productiviteitsstijging. Verdere groei heeft geen prioriteit; milieu, dierenwelzijn en productkwaliteit hebben dat wel. Van de export wordt 80% binnen de Europese Unie afgezet, waarbij Duitsland de belangrijkste afnemer is. Nederland voert ook agrarische grondstoffen in. Dit zijn voornamelijk grondstoffen voor veevoer en voor de voedingsmiddelenindustrie, zoals koffie, thee en cacao.
Concurrentie in de akkerbouw Door de veranderingen in het EU-landbouwbeleid kan de akkerbouw steeds minder rekenen op gegarandeerde prijzen voor granen, suiker en aardappelzetmeel. Het gevolg is dat de concurrentie groter wordt. De akkerbouw staat daarom voor grote veranderingen. Er zal steeds minder sprake zijn van een eenvormig type akkerbouwbedrijf. De diversiteit zal groter worden: akkerbouwers kiezen afhankelijk van hun mogelijkheden en omstandigheden voor intensivering van tuinbouwgewassen of juist voor intensieve veehouderij. Sommigen kiezen voor nevenactiviteiten, zoals het aan huis verkopen van agrarische producten, of voor recreatie. Anderen schakelen over naar biologische akkerbouw.
Natuurlijke vijanden in de tuinbouw De tuinbouw is in de loop der jaren steeds belangrijker geworden, zowel in economisch opzicht als in de bebouwde oppervlakte. De belangrijkste producten zijn bloemen, groenten, fruit, champignons, bomen en bloembollen. De glastuinbouwsector is bezig met grote milieu-investeringen. Overheid en bedrijfsleven hebben afspraken gemaakt over hoe de milieudoelstellingen zullen worden gerealiseerd. Het gaat hierbij onder andere om meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en afval. Ook is de glastuinbouw bezig een energieconvenant tussen bedrijfsleven en overheid uit te voeren voor de vermindering van de CO2-uitstoot en voor een efficiëntere energiebenutting. Om de gewassen te beschermen tegen schadelijke insecten en ziekten, worden veelal natuurlijke vijanden ingezet, zodat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan worden beperkt.
Stimulering biologische landbouw In de biologische landbouw maakt de ondernemer vrijwel geen gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest. De omvang van de biologische landbouw is bescheiden, ook al is er een groei waar te nemen. Om deze ontwikkelingen te versterken wordt gewerkt aan een betere afzetstructuur, concurrerende prijzen voor de biologische producten en een betere bedrijfsvoering. Ook vanuit de markt zelf bestaat steeds meer belangstelling. De grootste Nederlandse supermarktketen, Albert Heijn, is bijvoorbeeld van plan om binnen het volgende decennium geen producten meer te leveren waarbij gebruik is gemaakt van chemisch-synthetische bestrijdingsmiddelen. Momenteel koopt zo’n 30% van de Nederlandse consumenten vaker biologische producten.
Veehouderij in discussie Binnen de veehouderij is de melkveehouderij de grootste tak. De invoering van productiebeperkende maatregelen (melkquotum) binnen de Europese Gemeenschap in 1984 heeft hieraan bijgedragen. De productie per koe is flink toegenomen, waardoor met minder koeien dezelfde hoeveelheid melk kan worden geproduceerd. Naast de grondgebonden melkveehouderij is er de intensieve veehouderij. Het gaat hier met name om de varkens- en de pluimveehouderij. Kenmerk van de intensieve veehouderij is dat de dieren in stallen worden gehuisvest. Varkens- en pluimveevlees alsmede eieren worden grotendeels geëxporteerd.
De uitbraak in 2003 van Aviaire Influenza (de vogelpest) in de pluimveehouderij vormt, na de eerdere uitbraken van MKZ en varkenspest, opnieuw aanleiding voor een brede discussie over de intensieve veehouderij in ons land. Het gaat daarbij echter niet alleen om de uitbraak en bestrijding van dierziekten, maar ook om vraagstukken op het gebied van volksgezondheid, dierenwelzijn, milieu, ruimte en handelsbetrekkingen. Niet in de laatste plaats wordt tevens de positie en de toekomst van de desbetreffende ondernemers en hun gezinnen in de discussie meegenomen.
Visserij en vangsthoeveelheden De voornaamste takken van de Nederlandse beroepsvisserij zijn de zee- en kustvisserij. Daarnaast zijn er de schelpdiercultures, de binnenvisserij en de aquacultuur. De zee- en kustvisserij worden uitgeoefend door een moderne vloot van kotters en diepvriesschepen (trawlers). De kottervloot vist op tong en schol, kabeljauw, wijting, haring en garnalen. In economisch opzicht is de platvisvisserij de belangrijkste tak binnen de visserij. De trawlervloot vist op haring, makreel en horsmakreel. Daarnaast is de schelpdierproductie van belang. Deze vindt voornamelijk plaats in de Zeeuwse wateren (zuidwesten van Nederland) en op de Waddenzee (in het noorden).
In het kader van het Europese visserijbeleid worden jaarlijks voor ieder EU-lid de vangsthoeveelheden vastgesteld. Over de gewenste hoogte van de vangsthoeveelheden laat de Europese Commissie zich ieder jaar adviseren door visserijbiologen. Zij onderzoeken of de visstanden boven het zogeheten Veilig Biologisch Minimum blijven. De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor duurzame visserij. Zo kan de bijvangst beperkt worden door de netten aan te passen of door elektrisch te vissen, waarbij de vissen door elektrische prikkels de netten in worden gedreven. Hierdoor wordt het bodemleven minder verstoord.
Productiewaarden industrie en handel De agro-industrie - het geheel van activiteiten die met de agrarische sector samenhangen - is belangrijk voor de Nederlandse economie. Deze bedrijfstak omvat de voedings- en genotmiddelenindustrie (inclusief non-food agro-industrie) en de agrarische handels- en dienstensectoren. Meer dan de helft (van de waarde) van de landbouw- en tuinbouwproductie wordt door de voedings- en genotmiddelenindustrie verwerkt. De bedrijfsgroepen met de hoogste productiewaarden zijn de slachterijen en vleesverwerkende industrie, de zuivelindustrie, de diervoederindustrie, de tabaksverwerkende industrie en de drankenindustrie.